Nieuws

Made in Belgium. Pleidooi voor industriële mobiliteit

De Tijd, 29 januari 2013 – Dertig jaar geleden telde de industrie in ons land 920.000 jobs. Vandaag is dat aantal bijna gehalveerd. Hoeven we dat erg te vinden? Sommige economen beweren van niet. Zo stelt onder meer Paul De Grauwe dat de achteruitgang van de industriële tewerkstelling volledig kan worden opgevangen door de dienstensector. Ik ben het daar niet mee eens.

Klik hier om de tekst te downloaden als PDF

De bijdrage van de industrie aan de welvaart in ons land is niet verwaarloosbaar. Twintig procent van ons BBP is te danken aan industriële activiteit. Tegelijk vormen hoogwaardige industriële producten de brandstof van onze exportmotor met een aandeel van 80%. Voor een open economie als de Belgische is die hoogtechnologische industriële activiteit essentieel. Hoe innovatiever onze exportproducten, hoe competitiever de ruilvoet en hoe sterker de industrie bijdraagt aan de welvaartscreatie in ons land. Bovendien mag niet vergeten worden dat de industrie niet alleen directe tewerkstelling creëert, maar ook belangrijke stimulansen geeft aan de dienstensector. Eén job in de industrie is goed voor anderhalve job erbuiten.

Betekent dit dan dat we de klassieke industriële sectoren tegen elke prijs – via een politiek van subsidies en nationaliseringen – de hand boven het hoofd moeten houden? Geenszins. Op dit punt ben ik het wél eens met De Grauwe. Niet alleen laat Europa dat vandaag niet langer toe, het verleden leert ook dat het zo niet werkt. Toen in de jaren ’70 klassieke industriële sectoren zoals de scheepsbouw, de glasindustrie en de traditionele textielnijverheid het hier voor bekeken hielden, was subsidiepolitiek enkel goed voor uitstel van executie. De industrie is geen kind dat moet leven van onderhoudsgeld. Het is een fiere dame die op eigen benen moet kunnen staan. Het is de taak van de overheid om voor het juiste kader te zorgen.

Uit studies van The Boston Consulting Group (BCG) blijkt dat arbeidsproductiviteit een goede indicator is voor de toekomst van de Europese industrie. Daarmee ligt de beleidsuitdaging in onze contreien anders dan bijvoorbeeld in de VS en China. Bedrijven verlaten de VS wanneer ze lage logistieke kosten hebben en tegelijk een hoog percentage van hun totale productiekost aan arbeid spenderen. Continentaal Europa zit anders in elkaar. De arbeidsmobiliteit ligt hier lager dan over de plas, zelfs binnen hetzelfde land. Bovendien is ons gemiddelde arbeidsmarktprofiel hoger opgeleid. Dit maakt dat andere types van industrie zich hier vestigen of blijven. Hoe hoger de productiviteit, hoe beter het er voor de tewerkstelling uitziet.

Sectoren die inzetten op een verbetering van hun arbeidsproductiviteit zijn winners, concluderen de studies. Voorbeelden zijn de farmasector, de petrochemie en de voedingsindustrie. De autosector en de houtindustrie zijn bij de verliezers. Echter, deze opdeling in winnaars en verliezers mag geen fataliteit zijn. Door een doelgericht industriebeleid moet een overheid zorgen voor wat ik ‘industriële mobiliteit’ noem. Dit wil zeggen: een beleid dat bedrijven laat stijgen van de categorie ‘verliezers’ naar deze van ‘winnaars’. Niet de sectorale afkomst van een bedrijf moet tellen, maar wél de arbeidsproductiviteit. Een uitstekend voorbeeld is Audi Brussel. In de BCG-lijst staat de autosector bij de ‘verliezers’ maar door een innovatieve bedrijfsorganisatie te combineren met een competitieve kostenstructuur voor nacht- en ploegenarbeid heeft het bedrijf zich losgemaakt van haar sectorale afkomst en is het vandaag een winner.

Als arbeidsproductiviteit bepalend is, betekent dat meteen dat loonkost cruciaal is. In alle industrietakken, ook waar arbeid maar een beperkt percentage van de productiekost uitmaakt. Loonkost staat immers in de noemer van de breuk die arbeidsproductiviteit is. Dit sterkt mij in de overtuiging dat de 2,2 miljard euro zuurstof die de federale regering op korte termijn in de economie pompt effect zal hebben op het hele spectrum van industriële sectoren. Door de loonkosthandicap weg te werken, de index te hervormen en de lonen te bevriezen, stijgt immers de arbeidsproductiviteit. Vanuit dezelfde visie zal de federale regering dit voorjaar de belastingkorting voor onderzoekers optrekken van 75 naar 80 procent.

Deze inspanningen zijn geleverd in budgettair moeilijke tijden met een reële groei die dicht bij nul ligt. Toch zullen er binnenkort nieuwe stappen in dezelfde richting gezet moeten worden. Wat lasten op arbeid betreft – inkomstenbelasting en RSZ-bijdragen samen – hebben we de bedenkelijke eer om de OESO-ranglijst aan te voeren. Het hoofddoel van de fiscale hervorming die het parlement vanaf dit jaar voorbereidt, moet zijn om uit de top tien te verdwijnen.

Loonkostvermindering alleen zal niet volstaan om de arbeidsproductiviteit op te krikken. Er moet ook gesleuteld worden aan ‘de teller’. Zo moet de overheid organisatorische innovatie mogelijk maken. Vandaag is bijvoorbeeld onze arbeidsorganisatie nog veel te rigide. Bedrijven moeten arbeid flexibeler kunnen inzetten, beter afgestemd op de dal- en piekmomenten van productie. Tegelijk willen werknemers werk en gezin beter combineren. De federale regering heeft vorige zomer hierover concrete dossiers op de tafel van de sociale partners gelegd. Het is cruciaal dat de sociale partners zo snel mogelijk tonen dat zij katalysatoren van industriële mobiliteit kunnen zijn. Individuele bedrijven en werknemers moeten de hefbomen in handen krijgen om hun arbeidsorganisatie te moderniseren en hun arbeidsproductiviteit te versterken.

Een beleid voor industriële mobiliteit is een complexe puzzel met veel stukken, waarvan een aantal zich ook bij de deelstaten bevinden. Eén van de belangrijkste is de herwaardering en de hervorming van het technisch onderwijs. Duitsland bracht via Duale Ausbildung onderwijs naar de werkvloer. In overleg met de industrie werd massaal ingezet op stageplaatsen, een strategie die nauw samenhing met de herwaardering en verbetering van het technisch onderwijs. Die aanpak moet ook bij ons prioritair zijn. Het is een pleidooi dat bij het uittekenen van een industrieel beleid nog te vaak tussen de plooien valt. Iedereen heeft talenten, maar niet dezelfde. Er zijn mensen die fantastisch zijn met hun handen en zich thuis voelen in de techniek. Zij hebben het recht om deze talenten te laten renderen. Als de omslag naar de nieuwe economie betekent dat enkel ‘Einsteins’ nog kansen krijgen op onze arbeidsmarkt, dan maken we de verkeerde keuzes. Een economie is maar sociaal houdbaar als er jobs zijn voor een diversiteit aan profielen. Goed onderwijs is een essentiële schakel, niet alleen voor sociale mobiliteit, maar ook voor industriële mobiliteit.

Ons land telt tal van bedrijven die een voorbeeld zijn van industriële mobiliteit. Umicore transformeerde zich van oude vervuilende industrie tot het meest duurzame bedrijf ter wereld. Bedrijven als UCB, Solvay en Barco overstegen door innovatie hun erfenis. En vergeet ook industriële KMO’s als LMS en Materialise niet. ‘Made in Belgium’ is mogelijk. Maar dan moeten we net als deze bedrijven onze comparatieve voordelen versterken en onze zwaktes erkennen en wegwerken. Dat vraagt niet alleen een beheersing van de loonkosten, het flexibeler maken van de arbeidsorganisatie en een herwaardering van ons technisch onderwijs, maar ook investeringen in onze logistieke poorten, een drastische vereenvoudiging van het vergunningenbeleid, … Kortom, alleen een gezamenlijke inspanning van alle beleidsniveaus in ons land creëert het kader voor meer industriële mobiliteit. Het is mogelijk, want het moet. Berusten is geen optie. Als we willen dat meer bedrijven straks de stempel “Made in Belgium” drukken, is de enige weg vooruit. En vooruit betekent: hervormen.

Deze bijdrage verscheen in De Tijd, dinsdag 29 januari 2013.

Contact

Alexander De Croo
Vicepremier en minister van Financiën en Internationale Ontwikkeling

  • Finance Tower
  • Kruidtuinlaan 50 bus 61
  • B-1000 BRUSSEL
Open vld omygod.be